Loonverwerking

Vanaf 1 september 2019 is er een koopkrachtverhoging voorzien van 1,1 % voor de bedienden van het APCB 200. De manier waarop deze koopkrachtverhoging moet worden ingevuld is vrij complex. Er zijn twee mogelijke regelingen.

Op basis van de situatie op 1 september 2019 kunnen de bedienden onder een algemene regeling of onder een bijzondere regeling vallen :

  • de algemene regeling, nl. een loonsverhoging van 1,1 % op 1 september 2019 of de toekenning van een alternatief voordeel;
  • de bijzondere regeling, nl. de toekenning van een Tijdelijke Jaarpremie die later wordt overgeheveld naar een aanvullend pensioen.

De sectorale sociale partners willen de huidige koopkrachtverhoging immers aanwenden om aan de verplichtingen van de wet betreffende de aanvullende pensioenen (WAP) tegemoet te komen. Deze wet stelt dat er vanaf 1 januari 2025 geen onderscheid meer mag bestaan tussen het aanvullend pensioenplan voor arbeiders en bedienden die tot éénzelfde ondernemingsactiviteit of tot dezelfde beroepscategorie behoren.

Hieronder vindt u onze toelichting van de twee mogelijke regelingen:

1. Algemene regeling

1.1 Verhoging bruto wedden met 1,1%

Starten doen we met de algemene regeling, die voorziet in een verhoging van 1,1 % op 1 september 2019 van:

  • de sectorale minimumlonen;
  • de reële bruto maandlonen.

Deze algemene regeling is sowieso van toepassing op de werkgevers die alleen bedienden tewerkstellen. Als er zowel arbeiders als bedienden in de onderneming in dienst zijn, valt het bedrijf in plaats hiervan mogelijk onder de bijzondere regeling (zie 2. Bijzondere regeling).


1.2 Toekenning van een gelijkwaardig voordeel

De ondernemingen kunnen ervoor kiezen om in plaats van deze loonsverhoging een nieuw, gelijkwaardig en recurrent voordeel toe te kennen.

Bij de omzetting van de koopkrachtverhoging in een gelijkwaardig voordeel, is het belangrijk te noteren dat de werkgever hieruit geen voordeel mag halen. Dit betekent dat de kost voor de periode van 1 september 2019 tot 31 december 2020 identiek moet zijn als wanneer de lonen van de werknemers met 1,1 % zouden stijgen. Bij de omzetting moet er dus rekening moeten houden met de brutoverloning, de eindejaarspremie, de patronale RSZ hierop en het dubbel vakantiegeld.

Voordelen zoals de invoering/verhoging van de werkgeversbijdrage maaltijdcheques, een hospitalisatieverzekering, groepsverzekering,… kunnen in aanmerking komen voor de bepaling van een gelijkwaardig voordeel. Daartegenover staat dat de loonsverhoging van 1,1 % niet vervangen kan worden door een niet-recurrent resultaatsgebonden voordeel (cao nr. 90), omdat het hier om een onzeker voordeel gaat.

Het toekennen van een gelijkwaardig voordeel is gebonden aan een bepaalde procedure, die verschillend is alnaargelang de onderneming al dan niet een syndicale delegatie voor bedienden heeft :

  • bedrijven met een syndicale delegatie moeten hierover een bedrijfsakkoord met hun suyndicale delegatie sluiten, wat uiterlijk tegen de loonbetaling van september 2019 moet gebeuren;
  • bedrijven zonder een syndicale delegatie, hier kan de werkgever autonoom beslissen over de invoering van een gelijkwaardig voordeel. Hij dient wel de bedienden individueel, en schriftelijk, tegen ten laatste de loonbetaling van september 2019 te informeren over het geljkwaardig voordeel.
    • én een minder gunstige aanvullende pensioenregeling kennen

2. Bijzondere regeling

2.1 Toepassingsgebied

De bijzondere regeling is van toepassing op de bedienden van werkgevers die op 1 september 2019 aan de drie onderstaande voorwaarden voldoen:

  • zowel bedienden als arbeiders in dezelfde ondernemingsactiviteit tewerkstellen (art. 14/4 WAP);
  • waarbij de arbeiders genieten van een sectoraal aanvullend pensioen of een aanvullend pensioen op ondernemingsvlak op grond van een opting out of buiten toepassingsgebied;
  • én die geen of een minder gunstige aanvullende pensioenregeling hebben voor de bedienden.

Ter informatie : In de bouwsecor bestaat er een het sectoraal pensioenstelsel voor de arbeiders, dat gefinancierd wordt in functie van het aantal legitimatiekaarten in bezit van een bouwvakarbeider. Hierbij is er een opbouw in functie van de sectorale anciënniteit volgens de percentages die voorkomen in onderstaande tabel :

Aantal legitimatiekaarten

(rechthebbende of niet-rechthebbende)

Werkgeversbijdrage

Vanaf 1/1/2014

0 tot 4

0,25%

5 tot 9

0,45%

10 tot 14

1,10%

15 tot 19

1,35%

20 tot 24

1,65%

25 tot 29

2,20%

30 en meer

2,65%


2.2 Tijdelijke Jaarpremie

Wanneer de bijzondere regeling van toepassing is en de werknemers uitbetaald worden boven het sectorale minimumloon, wordt er geen loonsverhoging toegekend. In de plaats daarvan komt er een Tijdelijke Jaarpremie en een Eénmalige Premie:

  • de Eénmalige Premie betaalbaar in december 2019.

= bruto maandloon van november 2019 x (1,1 % x 5). De Eénmalige Premie wordt toegekend aan de bedienden in dienst op 1 september 2019. Er word pro rata gerekend op basis van de prestaties geleverd gedurende de referteperiode (van 1 september 2019 tot en met 31 december 2019). Deze éénmalige premie wordt toegekend om de periode van 01 september 2019 tot en met 31 december 2019 te dekken, gedurende dewelke de loonsverhoging reeds werd toegekend.

  • de Tijdelijke jaarpremie betaalbaar in december 2020.

= bruto maandloon van november x (1,1 % x 13,92) De Tijdelijke Jaarpremie wordt toegekend aan de bedienden in dienst op 1 september 2019 met een volledige referteperiode (van 1 januari tot en met 31 december).

Ondertussen hebben de sociale partners van het ‘spiegel-PC’ de tijd tot 31 december 2022 om een CAO aanvullend pensioen voor de bedienden af te sluiten.

Via de bijzondere regeling kan het risico vermeden worden dat de werkgever bovenop de toegekende loonsverhoging, nog een budget dient vrij te maken om te voorzien in een aanvullend pensioen voor de bedienden.

2.2.1 Effectieve en gelijkgestelde dagen

De tijdelijke jaarpremie wordt toegekend pro rata de effectieve en gelijkgestelde dagen tijdens de referteperiode. De pro rata regeling geldt ook voor bedienden die in loop van de referteperiode uit dienst zijn gegaan.

De gelijkgestelde dagen =

  • schorsingen van de arbeidsovereenkomst waarvoor loon is betaald;
  • vaderschapsverlof;
  • moederschapsverlof.

2.2.2 Bedienden betaald aan het minimumbarema

De Tijdelijke Jaarpremie en de éénmalige premie zijn niet van toepassing op de bedienden die op 31 augustus 2019 aan het minimumbarema worden betaald. Zij hebben immers de loonsverhoging van 1,1% gekregen (zie 1.1 verhoging bruto wedden met 1,1%).

2.2.3 Concreet voorbeeld

Een werknemer klasse D met 9 jaar ervaring heeft recht op een sectoraal minimumloon van 2.384,72 EUR. De bediende wordt door de werkgever meer dan 1,1% boven barema betaald en ontvangt een loon van 2.500 EUR. De bijzondere regeling kan dus worden toegepast. Hoeveel bedraagt de Tijdelijke jaarpremie in 2020?

Tijdelijke jaarpremie 2020 = 2.500 EUR x 15,31 % = 382,75 EUR

Een zelfde situatie maar deze werknemer was gedurende de referteperiode 2 maanden afwezig wegens ziekte. In dit geval moet de tijdelijke jaarpremie geproratiseerd worden. De 2de maand afwezigheid, is niet gedekt door het gewaarborgd loon, en is dus niet gelijkgesteld voor de berekening van de premie.

Tijdelijke jaarpremie = (2.500 EUR x 15,31 %) x 11/12 = 350,85 EUR.


Sectoraal aanvullend pensioen

Ondertussen moeten de sociale partners van de ondernemingsactiviteit zo snel mogelijk een collectieve arbeidsovereenkomst betreffende het sectoraal aanvullende pensioen afsluiten voor de bedienden. Nadat dit gebeurd is, kan vanaf 1 januari 2021 (en ten laatste op 1 januari 2025) de Tijdelijke Jaarpremie gebruikt worden voor het aanvullend pensioenstelsel. De betaling van de Tijdelijke Jaarpremie stopt sowieso van zodra deze CAO in werking treedt.

Indien er op 31 december 2022 geen CAO betreffende sectoraal aanvullend pensioen werd afgesloten voor de betrokken ondernemingsactiviteit, gebruikt de werkgever het budget van de Tijdelijke Jaarpremie voor een aanvullend pensioen op ondernemingsniveau.


3. Conclusie

Niet alle bedienden vallend onder PC 200 zullen hun wedde dus zien stijgen:

  • Bediende betaald aan het sectorale barema → stijging met 1,1 % vanaf 01.09.2019.
  • Bediende betaald boven het sectorale barema → reële wedde kan stijgen met 1,1 % vanaf 01.09.2019, tenzij toekenning van een alternatief voordeel.
  • Bediende in dienst van een werkgever:
    • met arbeiders tewerkgesteld in één van de spiegel PC’s;
    • én waarvan de bedienden boven barema worden betaald;

=> toekenning van een tijdelijke jaarpremie.


Ons sociaal secretariaat neemt contact op met alle PC 200-bedrijven en informeert hen, naargelang hun specifieke situatie, over de toepassing van de algemene dan wel de bijzondere regeling.


Lijst van de Paritaire Comités arbeiders met een sectoraal pensioenstelsel

[1]Het betreft: PsC 102.01, PsC 102.03, PsC 102.06, PsC 102.07, PsC 102.09, PsC 106.02, PC 112, PC 113, PsC 113.04, PC 114, PC 116 (betreffende groothandel in geneesmiddelen), PC 121, PC 124, PC 126, PC 127, PC 130, PC 132, PC 139, PsC 140.01, PsC 140.05, PsC 142.01, PC 143, PC 144, PC 145, PsC 149.01, PsC 149.02, PsC 149.03, PsC 149.04


Wettelijke referentie

Bron: CAO van 1 juli 2019 gesloten in het aanvullend paritair comité voor de bedienden betreffende de koopkracht in het kader van het KB van 19 april 2019 tot uitvoering van art. 7 § 1 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen (reg. nr. 152.849), in werking vanaf 1 januari 2019 voor onbepaalde duur.