Boekhouders

Werknemers kunnen in bepaalde gevallen hun bedrijfswagen inruilen voor een mobiliteitsbudget.

In dat geval vervalt de verplichting voor de werkgever om een tussenkomst in het woon-werkverkeer van de werknemer te betalen en dit vanaf de eerste dag van de maand waarin de werkgever het mobiliteitsbudget toekent.

Wanneer een werkgever beslist om aan een werknemer die kiest voor het mobiliteitsbudget toch nog een verplaatsingsvergoeding of een voordeel voor het woon-werkverkeer toe te kennen, dan zal dit beschouwd worden als een loonvoordeel dat onderworpen is aan RSZ en bedrijfsvoorheffing.

Een koninklijk besluit dat op 9 mei 2019 in het Staatsblad werd gepubliceerd, zorgt met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2019 voor de nodige aanpassingen aan de RSZ-reglementering.

Er zullen voortaan bijgevolg sociale zekerheidsbijdragen betaald moeten worden wanneer een werknemer samen met het mobiliteitsbudget ook nog een tussenkomst in de kosten van het openbaar vervoer, een carpoolvergoeding, een bedrijfsfiets of een fietsvergoeding ontvangt.

Op deze onderwerping wordt wel één belangrijke uitzondering voorzien. Werknemers die (het recht op) een bedrijfswagen al minstens 3 maanden vóór de aanvraag van het mobiliteitsbudget combineerden met een vrijgestelde tussenkomst in het openbaar vervoer, carpoolvergoeding, bedrijfsfiets of fietsvergoeding, kunnen dit blijven combineren met het mobiliteitsbudget met behoud van de bijhorende specifieke sociale en fiscale behandeling.

Bron: Koninklijk besluit van 2 mei 2019 tot wijziging van artikel 19, §2 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, B.S. 9 mei 2019.