Fiets

Bedienden die regelmatig gebruik maken van de fiets om zich te verplaatsen tussen hun woonplaats en de plaats van tewerkstelling, hebben sinds 1 juli 2020 recht op een fietsvergoeding ten laste van hun werkgever. Dit volgt uit de cao die in 2019 werd afgesloten binnen het Aanvullend Paritair Comité voor de Bedienden (PC 200).

De vergoeding is vastgesteld op 0,10 euro per effectief met de fiets afgelegde kilometer, met een maximum van 4 euro per arbeidsdag. Deze fietsvergoeding is niet onderworpen aan sociale bijdragen en is vrij van belastingen. De bediende die wil genieten van een fietsvergoeding moet aan zijn werkgever een ondertekende verklaring bezorgen dat hij/zij regelmatig gebruik maakt van de fiets voor het woon-werktraject. Verdere toepassingsmodaliteiten worden vastgelegd op ondernemingsvlak. Dit gaat bv. over het bepalen wat “regelmatig gebruik” is, het vastleggen van het aantal kilometers, het rapporteren van het aantal trajecten, enz. De cao bepaalt dat de fietsvergoeding niet cumuleerbaar is met andere tussenkomsten voor het woon-werktraject, met uitzondering van de tussenkomst in het openbaar vervoer. De fietsvergoeding is dus niet combineerbaar met een bedrijfsvoertuig of met een vergoeding voor het gebruik van eigen wagen. Als de bediende in combinatie met de fiets ook het openbaar vervoer gebruikt om zich naar het werk te begeven, is er wel recht op de fietsvergoeding naast de tussenkomst voor het openbaar vervoer. Bedrijven die al een fietsvergoeding toekennen aan hun bedienden, blijven hun eigen regeling ongewijzigd toepassen, voor zover die minstens gelijkwaardig is aan de sectorale regeling. De sectorale vergoeding komt dus niet bovenop de eigen vergoeding die ze al toekennen.
We herhalen dat ook in de cao van het PC 124 een fietsvergoeding is vastgelegd voor het woon-werkverkeer. Voor de arbeiders-bouw bedraagt die vergoeding 0,24 euro per effectief met de fiets afgelegde kilometer.